Peter Schaap, fantasyauteur en winnaar van de Archeon Oeuvreprijs 2010,

over Bloed & Eer:

 


"Heb net je boek uit. Ik vind het je beste tot nu toe.

Ik heb ervan
genoten. Een boek met kloten. Proficiat."


 

Brad Winning schreef:
Heksenjacht

 

Heksenjacht is Brads inzending voor de Luitingh Fantasy en Magic Tales Manuscriptenwedstrijd! Gedurende anderhalve maand stond hij hiervoor om zes uur 's ochtends op, zodat hij vijf minuten later de pc zoemend, een bak sterke koffie erbij, kon gaan skrieven. En jawel: exact 45 dagen later (tenslotte is dit Brads huidige levensjaar en niets is 'toeval') was de ruwe schets klaar; 90.000+ woorden; een manuscript waarmee Winning natuurlijk een Winning-boek heeft afgeleverd ;-)

 

Voorlopige flaptekst:

Orfo gebruikte zijn grote bijl, kliefde de handen bij de pols af en stopte deze, compleet met vingers en sieraden in een grote jutezak. Warg herkende het patroon. Later, bij het kampvuur, zou Orfo de handen verwarmen, afkluiven en ze zo van vlees, goud en zilver ontdoen.


Voor sergeant Hiu Warg leek het leven simpel. Geboren in de laagste kaste van Hastyri en lichamelijk getekend door de residuen van Zwarte Magie, is hij geworden wat zijn ras sinds eeuwen brandmerkt: een huurling. Hij doodt voordat hij gedood kan worden en neemt net zo gemakkelijk het leven van een vijand als van een bondgenoot die zich niet aan gemaakte afspraken houdt. Warg is een man van eer, heeft respect voor “de schaduwen van de dood” en heeft een nog dieper ontzag voor alles wat riekt naar magie. Sterker nog: eigenlijk is er weinig anders dan hekserij om hem de stuipen op het lijf te jagen. Tenslotte zorgde magie ervoor dat zijn volk, ooit heersend over Hastyr, werd gedegradeerd tot het laagste van het laagste. Voor een welopgevoede man met ambities, liefhebber van poëzie en kunst is dat een gegeven dat steekt.

 

Wanneer zijn broodheer Jules Montarde hem en zijn troep eropuit stuurt om een heks te doden, staat hij niet echt te popelen. Groot is zijn opluchting als blijkt dat de karavaan, waarmee de heks door vijandelijk gebied zou reizen, reeds overvallen is. En wie nog niet gestorven is, vindt een gruwelijke dood in de handen van zijn bende uitschot. Behalve Aislyne, een klein meisje van zes, die de overval heeft overleefd. Tenslotte heeft Warg een zwak voor kleine meisjes. En dat komt hem duur te staan. Want voordat hij het weet is hij, samen met zijn mannen van het “verborgen leger”, speelbal van machten die iedere voorstelling te boven gaan…

 

 

Proloog

  

Ik voelde me veilig bij de mensen van de Wasati stam. Eenvoudige mensen die me opnamen als één van hen. Totdat ze vonden dat ik, eenmaal een meisje van huwbare leeftijd, met de jongste zoon van het stamhoofd moest trouwen.

Belachelijk. Ik, een vrouw geboren uit de hoogste kringen der magiërs. Ik, een vrouw die prinsen en koningen voor haar op de knieën zag vallen. Ik, de vrouw van een boerenpummel die net zo gemakkelijk genot vindt in de aars van een schaap, als in de schoot van een hoer?

Waar zagen ze me voor aan? Wie dachten ze nu eigenlijk dat ik was? Een achterlijke trut, verstoten door haar eigen volk? Een roodharige jonge meid die nergens anders terecht kon?

Zij hebben er niet voor gekozen om mij in hun liefdevolle armen op te nemen, maar ik heb voor hen gekozen. Ze waren mijn dekmantel, mijn bescherming. Mijn manier om de wereld, die vijandig tegenover onze soort staat, te ontvluchten.

En dus heb ik me door hen laten opnemen, ben ik geworden wie zij wilden dat ik zou worden. Maar alleen uit lijfsbehoud. Uit zelfbescherming. Om zo niemand een vermoeden te geven van mijn ware aard, van wie ik werkelijk ben.

Ja, het is waar, ik ben zwak. Ik heb de bescherming van stervelingen nodig om weer te kunnen worden wie ik ooit was. Een trotse vrouw met krachten die hun gelijke niet kennen. Een vrouw waarvoor de wereld siddert en beeft. Een vrouw waarvoor prinsen, koningen en keizers buigen. Waar mannen, rijker, machtiger en sterker dan ik nu ben, voor buigen.

Steeds opnieuw.

En wanneer ik weer ben wie ik vroeger was, wanneer ik weer één ben met mijn geliefde, wanneer ik weer heel ben en verenigd met mijn wederhelft, dan…

Ooit. Ooit zal die tijd komen. En tot die tijd moet ik niet laten weten dat ik er ben, moet ik groeien en sterk worden, mensen van me laten houden en profiteren van de liefde die zij geven. Liefde waarvoor zij liefde terug verwachten.

Ach, de mensheid, zij is zo gemakkelijk om de tuin te leiden. Zij is zo gemakkelijk te manipuleren, te buigen en naar mijn hand te zetten.

Maar de mensen van de Wasati stam moeten niet denken dat ik, de eeuwige maagd - totdat ik hem heb gevonden -, mij zo gemakkelijk door de eerste de beste man laat nemen. Nota bene een jongen zonder bijzonder aanzien. Een jongen die, door met mij te trouwen, denkt dat zijn potje wordt gekookt, zijn bed wordt verwarmd en zijn kloppende verlangen hunkerend zal worden afgewacht.

Wie denken ze eigenlijk dat ik ben? Het meisje dat ooit, tien jaar geleden, door zijn vader en moeder langs de kant van een karavaanroute werd gevonden? Ondervoed en verlaten? Een verschoppelinge die moederziel alleen in de Woestenij van Shandor werd achtergelaten? Een meisje dat, als zijn ouders zich niet barmhartig over haar zouden hebben ontfermd, het leven zou hebben gelaten in de hitte van de woestijn?

Ha, ze moesten eens weten!

Ik heb mijn “nieuwe ouders” nooit de waarheid verteld.

Toen ze me vroegen hoe lang ik daar op die platte steen, langs de stoffige weg had zitten wachten, was de verleiding best groot om de waarheid te vertellen. Maar ze zouden me toch niet hebben geloofd. Want al ligt de waarheid voor hun voeten, dan nog zou de mens het niet zien.

Ze zouden me niet hebben geloofd als ik zou hebben gezegd: ‘Drie weken, mevrouw, meneer.’

Maar dat was wel hoe lang ik daar heb gezeten.

In de hitte van de dag, in de kilte van de nacht.

Drie weken.

Starend naar de stofwolken, de zandstormen en de draaikolken van de hete lucht, stijgend naar de hemel waar ooit de Goden op ons neerkeken, maar waar ze zich, sinds eeuwen, millennia of nog langer, al niet meer hebben laten zien. Een eeuwigheid van verlatenheid. Dus wat is nu, in Godsnaam, drie weken? Een zucht.

En dus vertelde ik de mensen, die vol medelijden aan mijn voeten knielden, maar niet de waarheid toen ze me vroegen: ‘Meisje, toch, hoe lang zit je hier al?’

‘Nog niet zo lang, mevrouw. Een dag. Echt, nog niet zo lang, hoor.’

Misschien was de vrouw geschrokken van hoe ik erbij zat. Stoffig, de lippen gebroken, ogen starend naar een plek waar ooit, in de jaren die ík nog heb gekend, een Godheid knielde en me toefluisterde: ‘Jij bent voor de eeuwigheid verdoemd. Jij blijft hier en zult de mensheid dienen.’

Vertel me: wat had ik moeten zeggen toen deze mensen, verdoemde zielen zoals ik, zich aan mij toonden? ‘Ik zit hier al drie weken en ik had het hier best nog wel drie weken kunnen uithouden? Honderd? Duizend? Zeg het maar!’

‘Meisje, zit je hier echt al de hele dag? In die hitte?’

En ze had me aangekeken met een blik vol medelijden, slikte mijn leugen, stak haar hand uit naar de man aan haar linkerzijde, nam dankbaar de zak met water van hem aan en hield mij deze voor, nodigde mij uit om iets te drinken.

Ik deed het.

Gulzig.

Niet omdat ik het nodig had, maar omdat ik wist dat zij dat van mij verwachtte. Zodat ze me meteen weer tegen kon houden, mij kon bemoederen en me kon laten weten dat ik vooral rustig moest drinken.

Bescherming.

Mijn eerste kennismaking met deze stam begon dus met een leugen. Zoals alles in mijn leven begint met een leugen. Het is wat ik doe, het is wie ik ben, het is wat ik het beste kan.

En mensen houden van me. Jawel. Ze houden van de leugen, houden van de veiligheid die mijn leugens hen kan geven, omdat ze de waarheid niet aan kunnen.

Leer mij de mensheid kennen. Ik ken ze al eeuwen. Langer dan ik zou willen. Want steeds opnieuw stellen ze mij teleur. En dood ik ze omdat het doden van mensen mij vreugde geeft. Voor een kort moment. Even vluchtig als hun eigen leven.

Ik ben wie ik ben en leef voor eeuwig voort.

Het is mijn straf.

Het heeft me gemaakt tot wie ik ben.

Nee, daarvoor hoef ik geen medelijden.

Tenslotte geef ik het zelf ook niet.

 

 

Brad is een
tevreden man




Brad Winning is een tevreden man. Zijn fantasydetective oogst de ene na de andere positieve recensie.

Recensies en lof voor 'Bloed & Eer':

●  Lees hier de recensie van Bloed & Eer op 
fantasyboeken.org

●  Lees hier het interview met Brad Winning / Alex de Jong op fantasyboeken.org


Recensie Biblion:

 

"Als voormalig beroepsmilitair in het rijk Perdusia slijt Sylvestre Curare zijn dagen als privéspeurder en uitsmijter in een chique bordeel, terwijl hij een leven leidt van verval met veel drank en seks. Wanneer hij op een dag oog in oog komt te staan met zijn dochter van wie hij het bestaan niet wist, verandert er veel. Er worden diverse aanslagen op zijn leven gepleegd, zijn dochter blijkt niet te zijn wie ze is, hij krijgt de zorg voor een kleindochter en hij gaat op onderzoek uit naar antwoorden op al zijn vragen. Deze hoopt hij te vinden in een bordeelklooster bij priesters, magiërs en zelfs bij de magistraat.

 

Harde detective in een fantasysetting van Nederlandse makelij. Het verhaal laat zich gemakkelijk lezen, is spannend en werkt naar een duidelijke plot toe. Sommige onderdelen worden aangeroerd maar niet verder uitgediept en het eind komt vrij plotseling en wat verward. Toch zal dit boek liefhebbers van het genre zeker weten te boeien."

 

YourCompany.Com © 2003 • Privacy Policy • Terms Of Use